Vriendelijk was ze altijd. Goedgehumeurd. Ze
stond bekend om haar fantastische kookkunsten en de manier waarop ze caterings
kan draaien. Kundig en efficient. Een keer kwam het gesprek op een vriendin van
haar. Ze had steeds maar pech met mannen. Ten einde raad was ze het gaan
proberen met een Indiaan. “Ma deng mang dati no ab a sem sani leki unu.” Haar
vriendin klaagde erover dat ze niets voelde tijdens de daad. “Wil ze geluk of
wil ze opengescheurd worden?”, vroeg ik me af.
We spraken verder terwijl we borden aan het ‘platen’ waren. “Ma
eigenlijk unu n’e moksi, yere! Unu ras musu tan zuiver!! Moksi e doti a brudu, mang.” Wow!
Ze was een dame van Marron-afkomst maar haar
woorden leken uit de mond van een nazi te komen. Ze werd ineens verlegen toen
ze zag hoe verschrikt ik naar haar keek. Ik ging er verder niet op. Met de
jaren had ik geleerd dat mensen met vastgeroeste ideetjes deze zouden behouden
tot hun dood. En het was haar recht om zo te denken. Helemaal als ik me bedacht
dat ik haar dochters kende en die konden zonder problemen ‘buiten hun ras
scharrelen’. Vervolgend met het opmaken van de borden voor de volgende gang,
verscheen er ineens een andere herinnering voor mijn geestesoog.
In Nederland had ik ook vrienden van
Marron-afkomst. Ondanks dat we vrienden waren, was er altijd een bepaalde
gereserveerdheid van hun zijde. Kwam het door mijn geaardheid? Dat mocht, was
een probleem voor henzelf en niet het mijne. Wat het werkelijk was werd
duidelijk tijdens een gesprek omtrent de afschaffing van de slavernij. Ze
stonden er dubbel in. “Onze moeder heeft ons geleerd dat wij van trotse mensen
afstammen die de slavernij zijn ontvlucht. Wij hebben ons hoofd niet gebogen
zoals die stadsnegers. Wij hebben onze identiteit behouden.” Wow, dacht ik
weer. Toen ik hun moeder ontmoette, was ik erg onder de indruk. Wat een mooie
vrouw was dat. En haar natural hair
was nog fantastischer om naar te kijken.
We raakten in gesprek en natuurlijk stonden
onze mening rechtlijnig tegenover elkaar. Ik vond dat stadsslaven helemaal niet
voor de makkelijke weg hadden gekozen en dat deze, vooral de vrouwen, geprezen
moesten worden daar zij alles uit de kast, en van het lijf, hadden gehaald om
te kunnen overleven. Uiteindelijk bitste ze me toe: “Jij bent iemand die nog
nooit in slavernij heeft gezeten! Je weet niet hoe het was.”. Ik keek haar lang
aan om mezelf te ervan te verzekeren dat wat ik in haar ogen zag echt een soort
minachting was. Mijn nieren deden iets en mijn yeye wilde woorden als kogels uit mijn mond schieten maar uit
respect, dat blijf ik altijd hebben, slikte ik ze in. Ik dacht bij mezelf: “Volgens
uw woorden hebben Marrons ook nooit slavernij meegemaakt en zijn ze het blanke
juk ontvlucht. Dan heeft u ook geen recht van spreken?!”. Daar bleef het bij.
Recentelijk kwamen deze herinneringen weer
naar boven. Tijdens de Ketikoti-vieringen viel het me namelijk op dat ik erg
veel Marron kledij zag. Is dat niet iets voor Marron-dag? Is de kotomisi niet
het symbool voor Ketikoti? Aan de andere kant was het ook wel mooi. Ik hou van
onze melting pot, enerzijds. Anderzijds, bedacht ik me, zou het ook
raar zijn om tijdens de herdenking van de Hindoestaanse immigratie in Chinese
kleding rond te gaan lopen. Of om tijdens Kerstfeest de versieringen die
gebruikelijk zijn met Pasen op te hangen. Er was maar een persoon in mijn
social media cirkel die zich duidelijk uitsprak hierover. “Ketikoti is voor
stadscreolen en Marrondag voor Marrons!”, zei ze. Dat ging mij ook weer te ver
om zo een duidelijke scheiding aan te brengen.
Zelf vond ik het interessant om die
verandering te aanschouwen. Ik analyseerde wat ik van binnen voelde. Het was
vooral angst dat mijn persoonlijke ideaalbeeld van de Kotomisi behorende bij
Ketikoti zou veranderen. Want het was toch traditie? En traditie en cultuur is
toch belangrijk? Tijdens een bijeenskomst kreeg ik het antwoord waar ik naar
zocht. Een aanwezige zei: “We denken altijd dat cultuur en traditie statisch
zijn. Maar: mensen veranderen, dus veranderen culturen, dus ook tradities.” Dat
ik dat moest horen om mijn eigen gevoelens en gedachten een rustplaats te
geven, was een schok. Ik zie mezelf als een persoon met een hele open en vrije
geest. Uitsluiting kan ik op geen enkel niveau waarderen. En conditioneringen
al helemaal niet. Toch bleek ik er een paar te hebben. Zoals dat gekleurde
mensen niet racistisch kunnen zijn. Oh
yes, they can! En dat extreemrechtse ideetjes vooral bij blanken voorkomen.
Oh no, they don’t! Van een steeds grotere, innerlijke, afstand
aanschouw ik de wereld. Wat ik zie is dat, de kleur van de zak, de inhoud niet
mooier maakt en dat bij rot, de stank even erg is.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten