Geirriteerd schudde ik nee terwijl ik stug
voor me uit bleef kijken. Mijn moeder stond naast me en wist niet zo goed wat
te doen. We stonden bij een bekend afhaalrestaurant te wachten op ons eten.
“Koop wat te eten voor me, noh?” Het
was een zwerver. Zijn bedelende hand stak hij tussen ons in en nu zeiden mijn
moeder en ik tegelijkertijd “Neehee!”.
Op dat moment had de eigenaar van het eethuisje het door. Meteen stond hij in de aanslag met een elastiek
dat hij als een katapult vasthield. Ik probeerde het projectiel te
identificeren; papier of metaal. Het werd niet afgevuurd want die dakloze
meneer was meteen verdwenen.
Het gezicht van de uitbater bleef hangen voor
mijn geestesoog. De minachting en irritatie deed me concluderen dat het goed
was dat zijn wapen geen pistool was geweest. Dan was die zwerver misschien wel neergeschoten.
“Dat was nou ook weer niet nodig, toch?”, vroeg mijn moeder zachtjes. Ik
beaamde het. Dat we in onze maatschappij niet altijd zo vriendelijk zijn tegen
zwervers is zachtjes uitgedrukt. Maar afgelopen week besefte ik dat ik zelf ook
niet altijd het goede voorbeeld geef. En ik leerde een les over echte, pure, verblindende
liefde. Op het werk meldde zich een emotionele meneer met een dringende
hulpvraag. Terwijl ik dit begin te typen, denk ik terug en raakt mijn kleine
hart weer bezwaard.
Hij vertelde dat een, op straat wonende, dame was
gebeten door een hond. We volgden hem naar de wachtruimte. Daar zat een hoopje
ellende met vastgekoekt haar. Ze moest in het verleden heel mooi zijn geweest.
Mooi was een understatement. Dit was model
material. Ze was in paniek. Haar groen uitgeslagen, etterende wond was twee
dagen oud, zei ze. In stilte betwijfelde ik het. Vanaf een ‘gezonde’ afstand
kalmeerde ik haar. Mijn innerlijke, mijn yeye,
liet van zich horen. ‘Ze heeft een brasa
nodig.’ Ik luisterde niet. Ze rook niet fris. En die vieze wond motiveerde ook
niet echt.
We begeleidden haar naar onze kliniek. Ze
raakte weer in paniek. Brabbelde over geld. Ze had het niet, en hoe dan? Die
heer - het was echt een heer - liep naar haar toe. Pakte haar vast, omhelsde
haar stevig, gaf haar een kus op haar wang en stelde haar gerust. Wauw. Dat was
liefde. Echte liefde. Met een mond vol tanden, een schuldig hart, onbenutte
armen en grote ogen aanschouwde ik het tafereel. Verlegen keek hij me aan toen
hij zich omdraaide om terug te keren naar zijn werk. Wist hij veel dat ik, als boeddhist,
mij meer schaamde dan hij.
De volgende dag reed ik weer met mijn moeder
door de straten van Paramaribo. De viezigheid op sommige plekken verwonderde
haar. Het aantal daklozen ook. Menselijk kapitaal dat onbenut werd. In die
positie zouden ze toch ook kunnen bijdragen aan de samenleving? De straat was
hun huis; dat diende je dan schoon te houden, toch? Een centraal inzamelpunt
waar ze plastic afval konden afgeven tegen een vergoeding? Misschien zou dat het
irritante gebedel en de viezigheid tegengaan? Maar is dat wel de oplossing? Misschien
voor die bedelende mannen.
Zou het die vrouw met die etterende wond ook helpen?
Wat ze nodig had, bleek die brasa. Die onvoorwaardelijke lobi. Dat is wat ze eigenlijk allemaal nodig hebben. Geen hidden agenda zoals zieltjes winnen voor
de kerk. Of het tevreden stellen van buitenlandse donoren. Geen oplossingen
vanuit de gedachte de samenleving te verlossen van een plaag. Onzelfzuchtigheid
is schaars, ten koste van de zwakkeren onder ons. We moeten samen vooruit. Kunnen
we onze mentaliteit veranderen ten bate van totale inclusiviteit en collectieve
vooruitgang?
Geen opmerkingen:
Een reactie posten