Vaak wanneer men
denkt het ergste te hebben meegemaakt of gehoord, gebeurt er wel iets dat het
tegendeel bewijst. In de paar jaar dat ik heb gewerkt met seropositieve mensen
heb ik veel voorbij horen komen. Het gaat dan vooral om stigmatiserend, soms zelfs
discriminerend gedrag van personeel bij instanties waar zulks nooit en te
nimmer mag gebeuren. Maar waar mensen werken, worden er menselijke fouten
gemaakt. Vaak zeggen we dat het onwetendheid is. Echter, het tonen van respect
en het menselijk behandelen van anderen is iets dat ten alle tijde boven
onwetendheid dient te staan.
Terwijl ik aan
het typen ben, voel ik dat ik boos word. Dat is natuurlijk omdat ik weet wat ik
nu ga vertellen. Tegelijkertijd besef ik mij dat zelfbeheersing een van mijn
mooiste eigenschappen is.Men zal zich nu wel afvragen wat er is gebeurd. Tja,
enerzijds is het zo erg en pijnlijk dat ik het niet wil opschrijven maar ik heb
de morele verplichting dit te doen zodat het aangepakt word. Dat wat er gebeurt
is, gun ik niemand. Door mijn werk weet ik dat er veel aandacht is besteed aan
het trainen van verzorgend personeel in ziekenhuizen. De focus was op artsen,
verpleegkundigen en baliemedewerkers omdat zij in direct contact staan met
patienten.
Vaak heb ik
aangegeven dat dit niet voldoende was. Het ondersteunende personeel moet ook
getraind worden. Dan gaat het over interieurverzorgers en beveiligers omdat
deze ook in contact staan met patienten. Toen ik zelf in het ziekenhuis lag,
heb ik meegemaakt wat anderen ook moeten doorstaan. Ik was jarig en de
verpleegkundigen hadden de moeite genomen mij in het zonnetje te zetten en een
liedje te zingen. Veertig was ik geworden, in het ziekenhuis. Hun geste deed me
goed. Totdat de schoonmaakster kwam.
In opperbeste
stemming feliciteerde zij mij met het feit dat ik de veertig had gehaald. “Veertig, mooi, hoor! Dan hoeveel kinderen
heeft u?” Heb ik niet. Stilte. “Dan heeft u wel een vrouw?” Heb ik niet.
Stilte. Afstand. Verafschuwde blik. Ze veegde mijn kamer schoon en liep weg.
Wrang was de nasmaak van het feit dat iemand mij, terwijl ik in het ziekenhuis
lag, nog steeds kon veroordelen omdat ik niet voldeed aan haar levensstandaarden.
Het brak me niet. Het brood op de plank betaal ik uit mijn eigen zak. Niet uit
de zak van mensen die denken dat zij beter weten hoe ik mijn leven in moet
richten.
Laatst bezocht ik
mijn maatje weer in het ziekenhuis. Ze
zitten er midden in een verbouwing dus is het er wat rommelig. De
schoonmaaksters, in hun mooie blauwe uniformen, doen wel hun werk dus valt de
rommel wel mee. Toen ik aankwam, lag die vriend van mij in de foetushouding
onder zijn deken. Ik vroeg wat er was. Praten ging niet direct. Hiv had hem
goed te pakken en hij was echt verzwakt. Een traan biggelde over zijn wang.
“Mijn haren zijn
pas geknipt en die haren zijn blijven liggen op balkon. Al een paar dagen.
Vandaag kwam de schoonmaakster ineens naar me toe en ze zei dat ik het zelf op
moest ruimen omdat mi o fok deng tra sma
op’. Ze weigerde ook mijn deel van de kamer schoon te maken.” Mijn ogen
werden groot van ontzetting. Wat een vernederende ervaring moest het zijn
geweest om, ziek en zwak als hij was, uit bed te stappen. Op commando van de
schoonmaakster. Zodat ze zijn werk kon doen. In welk ziekenhuis is het normaal
dat de schoonmaakster patienten haar werk laat doen?!
Ik heb de
verpleging erbij gehaald en hen deze vraag gesteld. Met klapperende oren
hoorden ze aan waarom ik de vraag stelde. Ze werden boos. “Fa wan blauwtjie kan du so wan sani??!!”. Ze beloofden er wat aan
te doen. “Dit is een smet op onze naam.” “Het is vooral onethisch!”, vulde ik
aan. Ik heb besloten boven alles te gaan staan en het ziekenhuis aan te bieden
om hun schoonmaakteam voor te lichten. Misschien ook te helpen met hun
selectieprocedure want die tanta uit
dit verhaal is duidelijk ongeschikt voor het werk in zo een omgeving. Ze verdient gewoon een pansboko zodat ze manieren leert! Want na eng e fok tra suma pikin op...
Geen opmerkingen:
Een reactie posten